Luc Delafortrie

LUC DELAFORTRIE 1976

Als het ijs smelt

Verzoent het zich

Met het water.

 

Hij schreef vele boeken

Maar geen enkel woord

Dat bleef in het geheugen.

 

De besneeuwde berghelling

Alleen bezocht

door de maanglans.

 

De mooiste der vrouwen

Verbergt zichzelf

met gewone klederen.

 

Die schamele stof

straalde

Toen zij ze droeg.

 

Deze blauwglanzende kever

op het terras, stoor hem niet,

alles is in hem aanwezig.

 

Alles één

Alles met elkaar

verbonden.

 

En toen, eensklaps

wist hij alles

En sprak niet meer.

 

Weet ge’t, weet ge’t ?

In die tortelduif

Kirt God naar mij.

 

De tijd die wij verdrijven

En willen vasthouden :

Ons leven.

 

Wat zou de zon zijn

wanneer niemand

ogen had ?

 

Wat zou het licht zijn

Van het heelal

Indien niemand kon zien ?

 

Oneindigheid en

Eeuwigheid hangen af

Van de sprong van een lichtstraal.

 

De zon scheen miljarden jaren

om wezens te doen worden

Die haar kunnen zien en liefhebben

De vlinder, de bloem

Dubbel bestaansreden

Leven en gezien worden

 

De merel in de avond

In de top van de berk

Fluit, fluit voor zichzelf.

 

De merel beluistert zichzelf

Als hij in  de berketop

Fluit in de avond.

 

In loneliness

Feeling pity for the things

Attain tranquility.

 

Dans la solitude

Ayant pitié de toutes choses,

Atteindre sérénité.

 

Uit medelijden voor de dingen

In eenzaamheid

verstild.

 

Blij zijn ze, als de forsithia bloeit.

Geel van vreugde.

Nadien ziet men ze niet meer staan.

 

 

Sabisha ni

Mono no aware ya

Sabi ya keri.( zelfgemaakt).

 

In de eenzaamheid

Meelij voelend voor de dingen

Eindelijk verstild. ( vertaling)

 

Met een gekweld gemoed

Zag hij ze opengaan

Witte kersebloesems.

 

Toen hij gekweld was

Liep hij door ‘t gras

Kijken naar viooltjes.

 

Eind van Europa ?

Kijk de witte bloesems

Zetten zich open.

 

Zij moest altijd toeluisteren

Als hij waarheden verkondigde.

Nu helpt ze hem bij ‘t opstaan.

 

 

Gekweld keek hij naar ‘t tennisveld

En zag haar wit jurkje

Telkens opslaan.

 

Spelevarend in mei

En zij, al roeiend

Opent de knieën.

 

Ik zag een meisje in het gras

Haar haar lang, haar borsten licht

Haar zinnen wild.   ( Keats)

 

Iemand of iets in ons

drijft ons voort.

Wij zijn het zelf niet.

 

Vorsers hebben altijd gelijk

Ook, en vooral,

Als ze elkaar tegenspreken.

 

Alleen vorsers mogen

van mening verschillen,

Maar de  niet-vorsers ? Oh, neen !

 

 

Kijk gerust

Naar het portret van uw voorouders

Als je een wind laat.

 

In het nudistenkamp

rondkijkend

Werd hij vegetariër.

 

De bloem blijft ongeknakt

Als de bij binnenglijdt

En honig puurt.

 

De auteur is niets

Maar wel de professor

Die hem bespreekt.

 

Gezicht op Veere:

is nu alles water,

Of is nu alles bewolking, boven een streep.

 

Van Gogh als dominee ontslagen

Wat vreselijk

Hij wou hun Evangelie toepassen.

( zijn neef, zoon van Theo verklaarde in TV-BRT 18 sept.76 dat hij ontslag kreeg omdat hij alles weggaf en op de grond sliep.)

 

De R.K. is een restaurant geworden

Waar men aan ieder opdient

Wat hij verlangt.

 

Vroeger speelde men orgel in de mis

Nu speelt men voor de toeristen.

 

Het verdriet van Don Quichotte

Zien dat de windmolens

Windmolens zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s